Geslacht Van Voorst tot Voorst

 
  2 - 2. HERMAN VAN VOORST

Zoon van Herman van Voorst.
Hij sterft vr 27 maart 1320.

Op 19 mei 1315 deed Herman met enige andere scheidslieden uitspraak in een geschil tussen Johan van der Ese en Herman van Kuenre (Reg. Bisschop van Utrecht, no. 383).
Hij kwam door ruil in het bezit van het huis Rechteren, waarover een akte in het archief Almelo (reg. no. 9) dd. 31 mei 1315 het volgende vermeldt: "Johannes, graaf van Bentheim, oorkondt, dat hij zijn curtis genaamd Rechteren, welke Hake van Ruytenbergh van hem in leen had, gegeven heeft aan Hermannus de Vorst als vrij eigen goed in ruil voor een huis in de parochie Dalveshem in Lusnen en een ander huis genaamd Wiegerinc in Walsem."

Hij was gehuwd met Lutgard van Keppel, dochter van Dirck van Keppel en Beatrix van Meurs. Van hen wordt in de volgende akten gewag gemaakt:
10 oktober 1329. Lutgard van Keppel, weduwe van Herman van Voerst, oorkondt dat haar zoons Sweder en Roderic gescheiden hebben de goederen van wijlen hun vader en moeder, alsmede van hun tante Heylwigh van Voerst. Mede zegelen: haar zwager Roderic van Voerst, haar broeder Dideric van Keppel en haar neef Evert van Ulft (Reg. huis Almelo no. 18).
In een regest in de inventaris van het huis Cannenburg (no. 4) met vrijwel dezelfde inhoud en van dezelfde datum wordt gesproken over het magescheid van vaders versterf opgericht tussen Lutgard voornoemd en haar twee zonen Sweder en Roderick van Voorst en over hetgeen zij beiden nog van hun tante Heylwigh van Voorst zullen erven.

In een akte van het huis Almelo (no. 901) van dezelfde datum komen voor: Lutgert, weduwe van Herman van Voerst, met haar broeder Wouter van Keppel als haar momber en haar zonen Zweder en Roderick van Voerst. Ook haar schoonzuster Heylewich van Voerst wordt hierin genoemd. De inhoud dezer akte komt overeen met de beide vorige. Het archief van Haersolte (reg. no. 2) vermeldt:
12 juni 1330. Lutghard, jonkvrouwe van Rechteren, haar kinderen Zweder, Dyderic, Herman en Marye verklaren, dat zij aan Geerd van Haersolte en zijn vrouw Bessele verkocht hebben een maat, behorende tot hun hoeve Gostendorpe gelegen bij de Specdijk, tussen het land van Johan Ludickenszone en Everichen Poelmans, als een recht eigen goed; dat zij het verkochte land ten overstaan van Hendrick van Cothen, richter te Zwolle, hebben geleverd en dat op hun verzoek Roderic, ridder, heer van Vorste, Johan van den Thyver, e.a. deze oorkonden hebben bezegeld. Met zegels in groene was van Lutgard en Sweder van Rechteren en Roderick, heer van Voorst.
Dat de weduwe Lutgard in deze akte jonkvrouwe wordt genoemd is volgens baron van Heeckeren te verklaren uit het feit, dat haar man de ridderwaardigheid niet heeft bezeten. Immers de vrouw van een ridder werd ver of vrouwe genoemd. Jonkvrouwe was toen de vrouw van een niet-ridder, b.v. knape.

Uit het huwelijk van Herman van Voorst en Lutgard van Keppel zijn de volgende kinderen geboren (de volgorde is niet met zekerheid bekend):

1. Sweder van Voorst.

2. Roderick van Voorst.

3. Dirck van Voorst.

4. Herman van Voorst.

5. Marye: over haar zijn geen nadere bijzonderheden bekend.

6. Lutgarde.
Zij zou gehuwd zijn geweest met Johan heer van Kuinre, ridder, zoon van Herman van Kuinre.
Zij hadden vier kinderen:
1. Herman, genoemd 1331, overleden vr 1337.
2. Johan.
3. Herman.
4. Aleid.