Geslacht Van Voorst tot Voorst

 
  15 - 1. JOANNES AEGIDIUS VAN VOORST, heer van Overbergen, Schadewijk en Manhorst

Zoon van Harmen Berend van Voorst, heer van Schadewijk en Overbergen en Maria Elisabeth Theresia van Erp tot de Heegh.
Gedoopt te Bislich 25 april 1711 (Patrini: Gerhard Floris en Aleida Catharina van Erp) en overleden te huize Nieuw-Folkerda (Bedum, Groningen) 30 juni 1788.



De havezate Manhorst te Didam had hij met zijn vrouw door aankoop verkregen, 6 november 1769. Hij wordt veelal Jan Egidius genoemd.
Hij was in zijn jeugd luitenant bij het regiment Geldersche Ruiters onder Van Eck, nam deel aan de veldslag van Fontenoy in 1745 en brak toen in een charge zijn schouder. Hij verliet in 1753 de dienst.
Tijdens zijn verblijf te Didam op Schadewijk en op de Manhorst (tot 1784) ging hij vriendschappelijk om met de vader van Maria Anna van Scheuren, met wie later zijn zoon Josephus zou trouwen. Dit nam niet weg, dat beide heren vaak heftige meningsverschillen hadden, hetgeen zelfs eens in een duel op het rapier uitliep. Wegens de podagreuse toestand (= lijdend aan voetjicht) van Jan Egidius geschiedde dit echter “en carosse” ...
Tekenend voor de onderlinge verstandhouding was nog het volgende voorval. Toen tijdens een gezamenlijk vispartijtje de heer van Scheuren in het water viel, werd hij door Jan Egidius aan de kant gebracht. De heer van Scheuren merkte toen op, dat hij, indien hij verdronken zou zijn, regelrecht naar de hemel zou zijn gegaan, omdat hij een dag te voren bij de paters te Elten had gebiecht. Hierop riposteerde Jan Egidius met: “Dan is het jammer, dat wij hem niet hebben laten verdrinken”.


Hij huwde te Groningen (Ebbingestraat) 26 december 1749 alsmede te Bedum in de Ned. Hervormde kerk de 30e daaraanvolgend met Maria Theodora van Goltstein, vrouwe van Oud- en Nieuw-Folkerda, dochter van Joost Jan Simon van Goltstein, van Hoekenburg op Folkerda en Gertrudis Juvetta Clant van Scharmer, gedoopt te Groningen 18 november 1729. Zij overleed op huize Baerlo, thans kasteel d’Erp, te Baarlo (Limburg) 2 maart 1820.
Uit hun huwelijk werden 12 kinderen geboren t.w.:

1. Geertruida Juvetta Maria.
Geboren 10 oktober 1750, overleed te Deventer 2 november 1783 en werd begraven in de St.-Lebuinus-kerk aldaar.
Zij huwde in 1769 met Otto Ernest van Hövell, heer van Westerflier en Wezeveld, zoon van Johan Herman Winold van Hövell, heer van Westerflier, Wezeveld, Cretier, Woldenberg en Hassent, en Anna Judith Elisabeth van Pasqualini, vrouwe van Cretier, geboren te Deventer 29 april 1739. Hij overleed eveneens te Deventer 13 maart 1801.

2. Clara Maria Joanna Josepha.
Gedoopt te Dokkum 3 april 1752 en over­leden te Didam 10 januari 1773, begraven aldaar de 16e daaraanvolgend.

3. Theodora Maria Elisabeth Joanna.
Geboren en gedoopt te Didam 19 maart 1754. Zij stierf aldaar 22 april daaraanvolgend en werd de 24e begraven.

4. Harmannus Bernardus Stephanus Adolphus van Voorst.
Geboren en gedoopt te Didam 24 maart 1755, luitenant der infanterie bij Pallardy en generaal­-adjudant in dienst van de Hoogmogenden. Hij overleed ongehuwd te Bergen op Zoom 1 oktober 1785, waar hij in de Protestantse kerk werd begraven.

5. Theodora Maria Elisabeth.
Geboren en gedoopt te Didam 17 augustus 1757. Zij verdronk in de gracht van de Manhorst aldaar op 16 juli 1760 en werd de 18e daaraanvolgend begraven.

6. Josijna Joanna Aleijda.
Geboren en gedoopt te Didam 24 september 1759. Zij was chanoinesse in het adellijke stift St. Clara te Bocholt na opzwering met 16 kwartieren, en leefde nog op 1 augustus 1807.

7 Allegonda Thresia Joanna Maria (barones).
Geboren te Didam 21 december 1761. Zij overleed op 27 juli 1844 in Frankrijk. Zij was aanvankelijk stiftsfreule te Bocholt, doch huwde vóór of in 1800 met Louis Marguerite de Preseau, een Frans edelman, die gevlucht voor de Franse Revolutie berooid in ons land was aangekomen. Aanvankelijk leefde hij van het geld, dat zijn verkocht paard opbracht en hij voorzag later in zijn onderhoud door met een mars snuisterijen te venten. Door een andere émigré daartoe in staat gesteld opende hij een winkel onder de naam Pereson en gaf les aan de stifts­dames in het dansen, tekenen en frans. Onder het Consulaat van de emigrantenlijst geschrapt, keerde hij naar Frankrijk terug. Het ouderlijke bezit, Hugemont, dat door zijn vader, die vóór de omwenteling Generaal­Inspecteur der Franse Gendarmerie was, met zware schulden was belast, wist hij door energie en vlijt binnen enkele jaren weer schuldvrij te maken. Hij nam deel aan de oorlog in de Vendee (1830-1832), waarbij hij door een kogel in de borst ernstig werd gewond. Hij was een zeer gezien persoon en Gedeputeerde onder het Ministerie Villèle (1822-1828).

Uit het huwelijk werden twee dochters geboren n.l.:
a. Adele; zij huwde met Auguste de Comet de Montplaisir.
b. Louise; zij huwde in 1830 met haar volle neef Frederik baron van Erp (zie hieronder nr. 11-d)

8. Carolina Maria Antonetta (barones).
Gedoopt te Didam 6 augustus 1764, sterft te Rees a/Rhein 26 juni 1853. Zij was gehuwd met Louis van Kessel, een Belg en gewezen ritmeester in Oostenrijkse dienst. Het echtpaar woonde te Hoei (Huy), waar hij aan het hoofd stond van een porceleinfabriek, waaraan zijn gehele fortuin te gronde ging.
Na het overlijden van haar echtgenoot vestigde Carolina zich te Rees. Het huwelijk was kinderloos.

9. Josephus Joannes Franciscus Antonius Mathias baron van Voorst tot Voorst en Schadewijk.

10. Maria Engelbertha Lodewijka Clara (barones).
Geboren te Didam 25 september 1769; overleden te Rees 15 maart 1841 en aldaar begraven.
Zij huwde te Geldern 2 mei 1801 met Franz Ludwig Ignatz Joseph Maria von Martels zu Dankern, heer van Dankern en Lehrte, geboren Dankern 31 december 1773, zoon van Johann Franz Henrich Joseph Ignatz von Martels zu Dankern en Theodora Maria Josina von Dwingelo. Het huwelijk was geen succes, alhoewel er tal van kinderen uit zijn voortgesproten. Von Martels verkocht in 1832 zijn landgoed Dankern bij Meppen, waar het gezin woonde, en verhuisde met zijn zoon Gustav naar de Verenigde Staten, alwaar hij waarschijnlijk in Cincinnati (Ohio, U.S.A.) vóór 1841 overleed. Een andere zoon, Henrich, werd officier en emigreerde later met zijn vrouw eveneens naar de Verenigde Staten, waar hij zich in Texas vestigde.

11. Helena Gertrudis Maria Josepha (barones).
Geboren en gedoopt te Didam op de Manhorst 14 augustus 1771, overleden huize Baerlo 24 april 1852 en aldaar begraven.
Zij huwde te Bedum 18 november 1795 Henricus Wilhelmus Antonius baron van Erp (tot Holt), heer van Baerlo, geboren Didam 2 september 1759, zoon van Balthasar van Erp en Josijna Maria Antonetta van Olden­neel tot Heerenbrinck, overleden te Baarlo 18 augustus 1820. Hij was officier in Franse en Duitse dienst, lid der Provinciale Staten van Limburg en lid van de Ridderschap van Limburg (1816). Huize Baerlo heet thans kasteel d'Erp.
Helena was een wijze en tactvolle vrouw, die de vrede en eendracht wonderwel wist te bewaren tussen haar 10 kinderen, de 2 bij haar inwonende zusters en de 2 broeders van haar echtgenoot. Van deze kinderen vermelden wij:
a. Balthasar, geboren in 1796 en overleden in 1855 te Baerlo, gepensioneerd kapitein der artillerie.
b. Jan, geboren te Baerlo in 1800 en overleden te Gent 18 juli 1875, officier bij de Grenadiers. Hij verliet in 1830 het Nederlandse leger en ging tot de dienst der Belgen over. Hij werd daar luitenant­generaal en overleed te Gent in 1875. Uit zijn huwelijk met zijn nicht Clementina barones de Loën werden twee zoons geboren, waarvan de oudste, genaamd Walram als zouaaf bij Mentana (1867) sneuvelde.
c. Joseph, geboren te Baerlo in 1801, in 1830 1e luitenant bij de 13e Afdeling; hij werd te Lier gewond en overleed daarna in het hospitaal te Antwerpen in 1830.
d. Frederik; deze nam in 1830 ontslag als luitenant der dragonders en huwde in dat jaar zijn volle nicht Louise de Preseau (zie hierboven nr. 7-b). Hij vestigde zich te Quiévrechain (Frankrijk), waar hij in 1859 overleed, nalatende twee kinderen.

12. Godefridus Alexander Xaverius baron van Voorst tot Voorst.

Vermeldenswaard is voorts nog dat na het overlijden van de schoonouders van Joannes Aegidius zijn vrouw Maria Theodora Oud- en Nieuw-Folkerda te Bedum erfde, alwaar het echtpaar zich in 1784 vestigde. Na zijn overlijden leefde Maria Theodora met haar dochters Maria (nr. 10) en Helena (nr. 11) aldaar op grote voet. In 1789 nam zij onder meer f 5.000,- op ten behoeve van haar dochter Carolina (nr. 8) en haar schoonzoon van Kessel. Het bezit werd dan ook door haar in 1797 verkocht voor
f 27.089,- “ter aflossing van kapitalen, opgenomen om de hoge belastingen te betalen”. (Nieuw-Folkerda was in 1905 gesloopt.)
Begin 1798 is zij met Maria gaan wonen in het klooster Het Nazareth te Geldern (Duitsland) voor f 120,- per drie maanden, alwaar Maria drie jaar later zou trouwen.

Lange tijd zijn er hardnekkige geruchten geweest dat Joannes Aegidius een vrouwelijk familielid (oud-tante Ida ? ) zou hebben gehad, die op Overbergen woonde met twee zonen te weten een in Hollandse en een in Pruisische dienst. Haar goederen zouden door het Pruisisch Gouvernement in beslag genomen zijn, waarover langdurige processen te Wetzelaar zijn gevoerd, overigens zonder succes. Ook hiermede zou een fortuin teloor zijn gegaan.