Geslacht Van Voorst tot Voorst

 
  16 - 1. JOSEPHUS JOANNES FRANCISCUS ANTONIUS MATHIAS baron VAN VOORST TOT VOORST EN SCHADEWIJK (*)

Zoon van Joannes Aegidius van Voorst, heer van Overbergen, Schadewijk en Manhorst en Maria Theodora van Goltstein, vrouwe van Oud- en Nieuw-Folkerda.
Gedoopt te Didam (huize Manhorst) 24 februari 1767, overleden huize de Ploen te Duiven 24 maart 1841 en aldaar begraven (Oorspronkelijk lag het graf buiten de R.K. kerk, maar bij de verbouwing in 1910 kwam het er binnen te liggen, gemarkeerd door een gedenksteen in de noordelijke muur).

In 1779 trad hij als cadet in dienst bij het 1e Regiment Infanterie van Willem Frederik Prins van Oranje-Nassau onder generaal-majoor de Schepper.
In 1783 werd hij bevorderd tot “vendrig superieur” in de compagnie van majoor Heerma van het 1e bataljon van genoemd regiment.
Tijdens de Brabantse patriot­tentijd rond 1789 lag hij te Maastricht in garnizoen met een afdeling Würtem­bergers en in de Bataafse patriottentijd diende hij onder de Vorst van Waldeck. Inmiddels was hij 17 januari 1791 bevorderd tot luitenant bij het regiment en in 1793 tot kapitein bij het Regiment Stuart. Hij kocht voor f 17.000,- een compagnie bij het bataljon Schotten (luitenant-kolonel William Miln) van genoemd regiment. Hiermede bevond hij zich in het leger van Prins Frederik dat Heusden ontzette toen Dumouriez Holland met een inval bedreigde. Hij nam deel aan postengevechten in Henegouwen, Vlaanderen en in het noorden van Frankrijk, toen de bondgenoten der Coalitie Valenciennes belegerden in 1793.
Hij was ook tegenwoordig bij de belegering van Maubeuge en Maastricht en in juni 1794 bij de slag van Fleurus. Tijdens de terugtocht uit België vocht hij bij Brussel en Oosterhout en werd door Pichegru tot over de Maas bij Wijchen achtervolgd. Met zijn compagnie Schotten werd hij bij de ontruiming van Nijmegen (8 november 1794) ten gevolge van het in brand schieten van de gierburg over de Waal (enige terugtochtsweg) door de Fransen gevangen genomen, en als krijgsgevangene afgevoerd naar Amiens. Korte tijd later werd hij aldaar ontslagen en keerde terug. Van generaal Dumonceau ontving hij een aanstelling tot commandant van een bataljon Bataven waarvoor hij bedankte! In juni 1795 is hij “met honorabele demissie afgegaan”.
Hierop volgde hij in juli 1795 zijn Vorst (Prins Frederik) naar Bremen. Aldaar en te Osnabrück hadden zich 600 officieren en 1200 (!) manschappen verzameld. Van dit “rassemblement” keerde hij op advies van Zijne Hoogheid eind 1795 terug. Inmiddels gehuwd en in het bezit van een zoon week hij 25 december 1799 naar Engeland uit en diende er als kapitein compagnies­commandant bij het 4e Regiment van de Hollandsche Brigade (3000 man), waarin vele matrozen en joden dienden, op het eiland Wight. Tijdens de gevreesde landing van de Fransen lag hij met zijn compagnie te Cork in garnizoen. Toen de brigade ontbonden werd, ging hij met Engelse “allouance” (= allowance) op 8 augustus 1802 ad f 600,- en vestigde zich op Pruisisch grondgebied (Zevenaar). Hij hield zich vervolgens met de landbouw bezig, doch noemde zich bij de doop van zijn vierde zoon in 1805 nog “Capitain in Koninklijke Engelsche Diensten”. Intussen werd Lodewijk Napoleon koning van Holland en werden o.a. Zevenaar en Huissen bij Holland ingelijfd.
De koning bood hem allerlei functies aan die hij steeds weigerde met uit­zondering van de “functie” jachtofficier met het oog op de wildstand. In de Lijmers werd hij hoofd-ingeland waardoor hij in 1809 veel werk verzette bij de doorbraak van de Lijmerse Dijk. Ondanks zijn protesten werd de Lijmerse Overlaat gebouwd, die evenwel in 1854/1855 weer werd afgebroken!

Hij verloor kort na elkaar een kind, zijn schoonmoeder en zijn vrouw, reden waarom hij bij de terugkeer van Willem I voor diens oproeping tot dienst­neming met de belofte van bevordering bedankte. Einde 1813 werd hij naar de Vergadering van Notabelen afgezonden en bij de inhuldiging van de Souvereine Vorst deed hij dienst als Opperstalmeester. Aan een tweede oproeping evenwel gaf hij gehoor met het gevolg dat hij 8 februari 1814 werd bevorderd tot majoor hij 6 Bataljon Infanterie Nationale Militie.
22 December daaraanvolgend promoveerde hij tot luitenant-kolonel en werd kort daarop geplaatst bij 40 Bataljon Infanterie Nationale Militie te Nijmegen. Zijn verzoek om deel te mogen nemen aan de veldtocht culminerend in de slag bij Waterloo (1815) werd afgewezen.
20 December 1826 werd hij kolonel-commandant van 4 Afdeling Infanterie te Doornik, welk commando hij in 1829 verwisselde met het plaatselijk commando 2e klasse voor de provincie Gelderland te Arnhem. In deze functie trad hij krachtig op tijdens de Belgische revolutie in 1830 en proviandeerde Maastricht, ‘s-Hertogenbosch en Breda.
12 November 1835 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Zijn eerste verzoek om pensionering werd afgewezen, doch 7 december 1837 werd hij onder toekenning van de rang van generaal-majoor op non-activiteit gesteld in afwachting van pensionering. 9 Maart 1838 ging hij, 71 jaar oud, daadwerkelijk met pensioen.

Na zijn pensionering trok hij bij zijn zoon Augustus in op huize de Ploen, alwaar hij drie jaar later overleed omringd door al zijn kinderen en twee zusters.

1820 TITELERKENNING
Koninklijk Besluit, Het Loo 24 juli 1820, nr. 80.
Erkenning van de titel baron voor het geslacht Van Voorst. Op verzoek van jonkheer Josephus Johannes van Voorst, luitenant-kolonel en lid Ridderschap van Gelderland (benoemd in 1814) en Godfried Alexander van Voorst tot Voorst (1774-1826), oud-officier van het Regiment Hollandse Gardes.
(Bron: Wapenregister van de Nederlandse adel, pag 592)

Hij werd erkend en geadmitteerd in de Ridderschap van Gelderland bij besluit van den Souvereinen Vorst d.d. 28 augustus 1814 nr. 14, doch zonder “edes-prestatie”.

Hij huwde te Zevenaar 18 juni 1797 met Maria Anna Joanna Josepha van Scheuren (Schuiren, Schuren), geboren te Didam 20 maart 1778, dochter van Johannes Everhardus van Scheuren en Maria Theresia Barbara von (de) Kut(t)schrater (Kutschreuter, Koetsruijter). Zij overleed in de kraam te Zevenaar volgens de burgerlijke stand 27 september en volgens het doodboek van de R.K. kerk aldaar 20 september 1813.
Uit dit huwelijk werden zeven kinderen geboren:



1. Louis Herman Joseph baron van Voorst tot Voorst en Schadewijk.

2. Franciscus Antonius Joseph Carel baron van Voorst tot Voorst.
Geboren en gedoopt Zevenaar in oktober 1801; overleden te ‘s-Gravenhage 1 maart 1883 en begraven in een bijzonder graf op de Algemene Begraafplaats te Leiden.
Hij was Ridder Militaire Willems-Orde 4e klasse, Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (1847) en in de Orde van de Eikenkroon (1849).
In 1815 trad hij in militaire dienst; hij werd 19 augustus 1818 2e luitenant der cavalerie; 28 december 1826 1e luitenant bij de Afdeling Kurassiers nr. 9; 30 april 1832 ritmeester; 7 oktober 1849 majoor; 15 januari 1852 luitenant­-kolonel en 7 augustus 1853 gepensioneerd. Metalen Kruis: 13 juli 1832.
In het beruchte jaar 1845 tijdens het aardappelenoproer te Haarlem stond hij met een eskadron dragonders op de markt ter plaatse en hij wist de opdringende menigte door een vlotte toespraak zo te kalmeren, dat deze rel zonder bloedvergieten afliep. Hij ontving voor dit optreden als beloning de Nederlandse Leeuw. Zijn plotseling verschijnen op de Dam met zijn in allerijl uit Haarlem ontboden eskadron, droeg er grotendeels toe bij een soortgelijk oproer vreedzaam te doen verlopen in Amsterdam.
De Willems-Orde ontving hij in 1831, toen hij met zijn peloton Kurassiers een peloton Belgen op de Wernhoutse heide niet ver van Zundert buiten gevecht stelde; de aanvoerder der Belgen, de luitenant van Dillen, liet daarbij het leven (KB. nr. 92, d.d. 12 oktober 1831).

Hij was een persoonlijkheid: een ridderlijk mens, een flink officier en een voortreffelijk jager. De vaak kronkelige paden der politiek lagen hem in het geheel niet; dit noopte hem dan ook tot ontslag op eigen verzoek wegens verschil van politiek inzicht bij de uitvoering van een door zijn kolonel gegeven order. In plaats van het “Befehl ist Befehl”, weigerde hij tegen zijn eigen inzicht en principe te handelen.
De 51-jarige zeer krachtvolle natuur zocht nu andere bezigheden, die zijn leven konden vullen. Hij vond deze o.a. in de beoefening van de schilderkunst, waarin hij het zover bracht dat in de familie nog vele zeer goede portretten bewaard zijn gebleven. Hij had les van Paul Constantin Dominique Tétar van Elven. Zijn 40-jarige ondervinding op het gebied der jacht legde hij neer in een geschrift: “Handboek voor den Jager” (1876).



3. Frederik Asweer Jacob Margareta baron van Voorst tot Voorst.

4. Johannes Egidius Hendrik Balthasar baron van Voorst tot Voorst.
Gedoopt te Zevenaar 19 juli 1805, overleden te Zoeterwoude 16 augustus 1879 en begraven op de Algemene Begraafplaats te Leiden in een eigen graf, waarin later ook zijn broeder Franciscus voornoemd, aan wie hij zeer gehecht was, werd bijgezet. (In 1969 nog 2 plaatsen vrij.)
Hij trad in 1821 in militaire dienst als kadet op de Artillerie en Genie-school te Delft; werd 12 maart 1825 bevorderd tot 2e luitenant der Genie bij het Korps Ingenieurs; 20 maart 1831 tot 1e luitenant en 3 november 1843 tot kapitein. Majoor 31 juli 1862; luitenant kolonel 2 augustus 1864. In 1867 werd hij met de rang van kolonel gepensioneerd waarna hij zich in de gemeente Zoeterwoude vestigde. Metalen Kruis 28 maart 1832.
Bij het uitbreken der Belgische Revolutie in 1830 lag hij in garnizoen te Ostende, vanwaar hij met groot gevaar ontsnapte. Zijn standplaatsen waren achtereenvolgens: ‘s-Hertogenbosch, Bergen op Zoom, Breskens, Deventer en ten slotte de zo gewichtige stelling Den Helder.

5. Augustus Everhardus Daniëlis Fredericus baron van Voorst tot Voorst, heer van de Ploen.

6. Eduwardus Ludovicus baron van Voorst tot Voorst.

7. Ernest Carel Antoon Asweer van Voorst tot Voorst.
Geboren te Zevenaar 29 juli 1812 en overleden aldaar 8 september daaraanvolgend.

In het archief der R.K. kerk Heilige Andreas te Zevenaar bevindt zich een brief van het jaar 1818, met zegel waarin Baron van Voorst tot Voorst, luitenant-kolonel te Bergen op Zoom, de pastoor mededeelt, dat zijn huishouding te Zevenaar is opgebroken, waarom hij Zijne Eminentie verzoekt geen jaargetijden meer te houden voor de afgestorven familie.

*) Juiste achternaam ingevolge K.B. d.d. 19 april 1846, Staatsblad nr. 20.