Geslacht Van Voorst tot Voorst

 
  VAN VOORST TOT ENGHUIZEN

I. SEYGER VAN VOORST, heer van Enghuizen.
Oudste zoon van Otto van Voorst, heer van Enghuizen en Bertha Gelmers.
Hij wordt vermeld op de Riddercedul der Graafschap Zutphen 1555, 1570, 1575 en 1592; uitheems in 1586; hij sterft in 1598. Hij werd met Enghuizen beleend 17 mei 1552.

Circa 1531 huwde hij met Anna Smullincks, dochter van Goossen Smullincks en Wendela Louis (d’Ablaing).
Uit dit huwelijk werden geboren:

1. Otto van Voorst.
Hij overleed kinderloos.

2. Seyger van Voorst.
Hij was gehuwd met Elisabeth van Wullen, dochter van Gert van Wullen, heer van Ravenhorst, en Lubberta van Ittersum. Uit dit huwelijk zijn geen nakomelingen bekend.

3. Wandela Christina.
Zij was gehuwd met Franco van Swieten, burger van Deventer, die in 1619 de havezate Enghuizen kocht van zijn zwager Sweder van Voorst. In 1627 werd zijn oudste zoon Seger van Swieten hiermede beleend.

4. Sweder van Voorst, heer van Enghuizen; volgt II.

Na de dood van Anna Smullincks hertrouwde Seyger van Voorst tussen 1562 en 1565 met Anna die Greve opter Wildt, met wie hij in een proces voor het gericht van het Landdrostambt Bergh (no. 214) in 1577 als volgt voorkomt:
Zeyger van Voorst en joffer Anna Graven contra Willem die Greeff opter Wildt inzake een verdrag tussen partijen 2 oktober 1565 opgericht betreffende de goederen de Dillendonk, de tienden tot Killer en een weide in Bergerdijck, benevens enige Kleefse leengoederen, nagelaten door zaliger Willem die Greve, resp. vader en grootvader van partijen.

Dit tweede huwelijk was kinderloos.

Nadat Zutphen was afgevallen tijdens de Hervorming vluchtte Seyger (hij was Rooms Katholiek) met zijn vrouw naar Emmerik, waar hij lange tijd in ballingschap woonde, blijkens een certificaat inzake zijn R.K. geloof, afgegeven door de pastoor van die stad dd. 15 december 1597 op verzoek van zijn zoon Sweder.
Seyger schijnt een vroom maar zwak man geweest te zijn, die bij zijn terugkeer in het vaderland zijn bezittingen vernield en verwoest aantrof.


II. SWEDER VAN VOORST, heer van Enghuizen.
Zoon van Seyger van Voorst en Anna Smullincks,

Sweder kiest in 1600 de zijde van de Spaans koning en vertrekt uit het vijandelijke gebied. Hij beleent zijn zusters Wendela en Anna (?) met Enghuizen. In 1619 verkoopt Sweder het landgoed aan zijn zwager Franco van Swieten, de echtgenoot van Wendela.
In 1619 werd hij door de Koning van Spanje tot ridder van St. Jacob del Espada geslagen en tot zijn Opperschenker benoemd. Hij noemde zich hierna “Don Assuero de Voerst”. Hij overleed na 1625.

Bij zijn echtgenote Anna van der Horst, dochter van Derck van der Horst en Geertruydt van Broeckhuysen, verwekte hij vijf kinderen:

1. Frederik van Voorst.
Hij overleed vóór 8 september 1640 en was gehuwd met Mechteld van der Marck, dochter van Edgard van der Marck, heer van Everlo, richter van Ootmarsum, en Margaretha de Brandes. Volgens van Doorninck: Gesl. Aant. blz. 29, was hij kornet en beschreven in de Ridderschap van Overijssel op genoemde datum.

Uit zijn huwelijk is één dochter bekend, genaamd:

a. Theodora Frederica, die te Didam 25 dec. 1658 huwde met Michaël van Broeckhuysen, zoon van Emanuël van Broeckhuysen, heer van Kell, en Josina van der Horst tot Dyrsvoort.

2. Anna Maria.
Zij was gehuwd met haar achterneef Harmen Berend van Voorst, heer van Schadewijk, zoon van Otto van Voorst en Elrica van Moerbeke.

3. Zegera.
Zij was gehuwd met Derck van Savelandt te Hoenselaer, geboren 5 september 1618, zoon van Gerard van Savelandt, heer van Hoenselaer, en Anna van Marlhulsen. Hij overleed 1 februari 1667.

4. Zweder van Voorst.
Page bij de prins von Hohenzollern. Hij werd bij een twist door zijn zwager Derck van Savelandt voornoemd doodgestoken.

5. Zeger (ook: Ceasar) Hendrik Otto van Voorst.
Vanaf 1644 woonde hij op het slot Berendonk bij Wetten in het Rijnland.
Op 8 oktober 1650 sloot hij met de eigenaar jonker Hillebrant von Udesheim een huurcontract, waarin o.a. werd bepaald, dat de schuur, die op het goed stond, op kosten van de huurder dak- en waterdicht zou worden gemaakt. De heer von Udesheim liet dit werk uitvoeren, maar de kosten hiervan waren in 1658 nog steeds niet door Zeger van Voorst terugbetaald, waarna een proces volgde voor het gerecht van het Land­drostambt Bergh (no. 298).

Register op de Leenen van het Huis Bergh, blz. 48:
Dat Hessensche guet” in Didam: Jonker Ceasar Hendrick Otto van Voirst lijftocht zijn vrouw Anna Maria van Einatten, 1689 september 17 of 7. Dit goed is door Ceasar in 1673 gekocht en in 1696 weer verkocht.

Hij huwde ook te Didam 13 juni 1697 met Maria Catharina Vijgh, dochter Joost Vijgh.