Geslacht Van Voorst tot Voorst

 
  VAN VOORST TOT ESCHEDE

I. JOHAN VAN VOORST.
Zoon van Johan van Voorst en Margaretha van Homoet, wordt ook wel Jan van Gorssel genoemd, in welke plaats hij in 1549 ook overleed.

Zijn eerste huwelijk was met Margaretha (Engel) van Wijnbergen, vrouwe van Wijnbergen, dochter Syward van Wijnbergen en Mechteld van Doirnick. Zij stierf in 1522, waarna hij voor 1530 hertrouwde met Johanna (Anna) van Eschede, dochter van Henrick van Eschede en Anna van Bevervoorde (deze laatste was de weduwe van Zeger van Rechteren, geheten van Voorst, zie blz. 88). Johanna van Eschede overleed 12 maart 1566 en werd in de Broederkerk te Deventer begraven. Op haar grafzerk staat op elke hoek een kwartier.
Uit de civiele processen voor het Hof van Gelderland (anno 1569 no. 30) blijkt, dat het eerste huwelijk kinderloos was en dat alle kinderen uit het tweede bed zijn geboren. Dit proces ging tussen de oudste zoon Johan van Voorst en zijn jongere broeder Hendrik over de nalatenschap van hun moeder Anna van Eschede en de leengoederen die door hun grootmoeder Anna van Bevervoorde waren nagelaten in de graafschap Zutphen en in Twente.
Tevoren, n.l. in 1552, was door Anna van Eschede, als weduwe van Johan van Voorst, ten accoord gemaakt met Bertha Gelmers, de weduwe van Otto van Voorst, heer van Enghuizen (blz. 93), inzake dit leen alsmede de Keppelse goederen, waarbij Anna van alle vorderingen en eisen op deze goederen afstand deed. Van haar zwager, Zweer van Voorst, die in Duitsland was overleden, hadden zij en haar kinderen ook goederen geërfd, doch deze zouden buiten het accoord worden gehouden.
De genoemde broeders Johan en Hendrik hadden 16 oktober 1566 eveneens ten overeenkomst getroffen over hun moeders nalatenschap, waarbij als scheidlieden aanwezig waren: Henrick van Gent, heer tot Gent, een zwager; Arent en Willem van Lintelo, hun zwagers, en Seyger van Voorst, hun halve neef (zoon van Otto van Voorst en Bertha Gelmers). Door het kinderloos overlijden van de oudere broeder Johan kwam aan dit geschil een einde.

De kinderen, geboren uit het huwelijk van Johan van Voorst en zijn tweede vrouw, Johanna van Eschede, waren:

1. Johan van Voorst.
Hier te voren reeds vermeld. Hij was gehuwd met Elisabeth van Gent, dochter van Willem van Gent, heer van Loenen en Wolferen, en Margaretha van der Ley. Volgens baron van Heeckeren was Johan ook heer van Wijnbergen, hetgeen echter geen heerlijkheid was; welk goed na zijn overlijden terugviel op zijn “grootmoeder” Mechteld van Doirnick, die het transporteerde aan Syward en Johan van Wijnbergen. Voor Johan zie ook blz. S. 44. Hij wordt in 1565 gehuwd vermeld en overleed in 1580; begraven te Doesburg (St.-Maartenkerk).

2. Margaretha.
Zij was gehuwd met Arent van Lintelo, heer van Walvoort, zoon van Evert van Lintelo, heer van Walvoort en de Marsch, en Anna Sophia van Heyden. Zie nog blz. S. 44.

3. Elisabeth.
Gehuwd met Willem van Lintelo, zoon van Willem van Lintelo, heer van Baren­holt, en N.N. van Suylen van Hardenberg.

4. Willem van Voorst.
Waarvan slechts bekend is, dat hij een zoon had:
a. Cornelis van Voorst, die in 1574 als lid der Ridderschap van Veluwe wordt vermeld. Volgens d’Ablaing (Ridderschap van Veluwe, 116) was deze Cornelis van Voorst gehuwd met Maria van Rossem, dochter van Derck van Rossem en Adriana Helmich van Welle, uit welk huwelijk drie zoons werden geboren. Na de dood van zijn vrouw schijnt deze Cornelis naar Polen te zijn vertrokken, waar uit een tweede huwelijk nog drie dochters werden geboren.

Schrijver dezes twijfelt aan het bestaan van deze zoon Willem van Voorst. Immers in het genoemde civiele proces van 1569 (no. 30) wordt melding gemaakt van een compromis van 18 mei 1562 tussen: Johan en Hendrick van Voerst, gebroeders, Arndt en Willem van Lintel, zwagers, Geertruydt van Voerst, hun zuster, en WILHEM van VOERST, hun jongste ZUSTER. Vermoedelijk is van deze dochter Willem een zoon gemaakt! Hiermede blijft de inpassing van Cornelis van Voorst evenwel onopgelost.

5. Geertruydt.
Eerder genoemd; zij trad in de geestelijke stand.

6. Hendrik van Voorst; volgt II.


II. HENDRIK VAN VOORST.
Zoon van Johan van Voorst (Jan van Gorssel) en Johanna van Eschede.

Over hem is reeds hiervoor een en ander vermeld.
Hij trouwde met Judith van Gelre (huw. voorwaarden 29 april 1565), dochter van Derck van Gelre, heer to Arcen, en Frederica van Rechteren.
Uit dit huwelijk één zoon werd geboren n.l.:

1. Johan van Voorst, heer van Heteren; volgt III.


III. JOHAN VAN VOORST, heer van Heteren.
Zoon van Hendrik van Voorst en Judith van Gelre.

Het adellijke huis Heteren in de Betuwe werd ook wel Voorst genoemd en was door zijn vrouw Agnes aangekocht in 1615.

Hij was gehuwd met Agnes van Stepraedt, dochter van Reyner van Stepraedt, heer van Ewijk en Doddendael, grave van Doornick, en Johanna van Voorst (zie blz. S. 19), van de tak van Voorst tot Doorwerth. Hij overleed in 1628.
Uit dit huwelijk werden geboren:

1. Judith.
Op 18 augustus 1640 werden de huwelijksvoorwaarden gesloten tussen jonker Frederick van Baex, heer van Harmelen, Haanwijk en Bijleveld, en Judith van Voorst van Heteren, waarbij o.a. aanwezig waren Reyner van Voorst tot Losendael en Heteren en Catharina van Voorst tot Heteren (Arch. Doornenburg no. 207).

2. Frederika.
Waarschijnlijk op jeugdige leeftijd gestorven.

3. Reyner van Voorst, heer van Heteren.
Hij was in 1628 gehuwd met Johanna van Amstel van Mynden, dochter van Joost van Amstel, heer van Loenersloot, en Willemina van Voorst, vrouwe van Doornenburg (zie blz. S. 26).
Uit dit huwelijk werd één dochter geboren:
a. Willemina Maria Magdalena.
Zij bleef ongehuwd, “een klopje”. Zij verkocht in 1664 het bezit te Heteren, de zogenaamde Olde Hofstad met de tienden en de kerkgift (Stichtse leen). Reyner overleed in 1657. Zie ook blz. S. 44.

4. Hendrik van Voorst; volgt IV.

5. Catharina.
Zij was gehuwd in 1638 met Herman van Baer, heer van de Slangenburg, zoon van Frederik van Baer en Judith (van) Ripperda, die in 1657 overleed.


IV. HENDRIK VAN VOORST.
Zoon van Johan van Voorst en Agnes van Stepraedt.

Hij was gehuwd niet Wyta Cloeck, dochter van Ryckwijn Cloeck, heer van Spaansweerd, en Menta van Roderlo.
Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren:

1. Frederik van Voorst; volgt V.

2. Agnes.
Over haar is verder niets bekend.


V. FREDERIK VAN VOORST.
Zoon van Hendrik van Voorst en Wyta Cloeck.

Hij huwde tweemaal n.l. met Johanna van Eck van Avesaet, uit welk huwelijk een zoon werd geboren:

1. Willem.
Die ongehuwd en waarschijnlijk zeer jong overleed.

En daarna met Anna Maria van Linsfelt, dochter van de heer von Biberstein, Buckel und zum Steinkuhl, en Anna van Galen. In 1672 was zij reeds overleden.
Uit dit tweede huwelijk werden geboren:

2. Anna Catharina.
Die tijdens haar ondertrouw met kapitein Bernsau overleed.

3. Magdalena Elisabeth.
Ongehuwd, overleden in 1680.

4. Judith.
Die eveneens ongehuwd stierf.

5. Frederik Hendrik van Voorst; volgt VI.

6. Christina Wyta.
Zij was gehuwd met Johan Casper Hofman, heer van Keveken, kapitein onder de Zwitsers.
Hun zoon Frederik Hendrik huwde met Magdalon Louise van Voorst, zijn volle nicht. Dochter van Frederik Hendrik van Voorst en Geertruid van Ewsum tot Schoonderbroek.


VI. FREDERIK HENDRIK VAN VOORST (1660 - 1736).
Zoon van Frederik van Voorst en Anna Maria van Linsfelt.

Zijn eerste vrouw, Geertruid van Ewsum tot Schoonderbroek, schonk hem twee dochters, genaamd:

1. Ernestine Louise.
Gedoopt Nijmegen 29 november 1703, huwde aldaar 15 oktober 1725 David Versluys, zoon van Mr. Cornelis Versluys, schepen en later burgemeester van Middelburg, en Susanna Cornelia van der Nisse. Hij was heer van de Nevelhorst en verwalter-drossaert en landschrijver van het Graafschap Bergh en overleed te Emmerik(?), begraven te Dwingeloo 19 april 1767. Zij hertrouwde aldaar 22 september 1770 met Tobias Huls, schepen en rentmeester te Emmerik.

2. Magdalon Louise.
Geboren in 1706 en in 1739 gehuwd met haar volle neef Frederik Hendrik Hofman, zoon van Johan Casper Hofman en Christina Wyta van Voorst (blz. S. 42).

Hij hertrouwde 3 september 1732 met Margaretha van Beynhem tot de Appelenburg, gedoopt te Tiel 20 juli 1675, dochter van Jacob van Beynhem en Josina de Beyer.
Zij woonden in Didam op het huis Hees. Hun huwelijk bleef kinderloos en de tak tot Eschede stierf hiermede in mannelijke lijn uit.


Register op de Leenactenboeken van Het Kwartier van Zutphen, blz. 360 e.v.:


ESCHEDE:

Den Hoff tot Escheen tot eenen dienstmansgoede gelegen in den kerspel van Gorstelo:
Willem van Eschede, huysfrou van Reiner Lensinck, ontfinck den hoff tot Eschede met allen synen tobehoren gelegen in den buerschap van Eschede in den kerspel van Gurstele tot eenen Zutphenschen sadelleensrechte, anno 1422.
Aleyt, weduwe Henricks van Eschede, ontfinck den hoff tot Eschede met synen tobehoren in den kerspel van Gorsloe in den lande van Zutphen gelegen, tot eenen sadelschen leen, anno 1422.
Sweder van Millingen is man hiervan.
Eadem, anno 1424.
Henrick van Eschede, bij transport sijner moder Aleyt. Ruwenoirts huysfrou, ontfinck dat goet tot Eschede met synen tobehoren in den kerspel van Gorssel gelegen tot Zutphenschen rechten, beheltlick Aleyden hoeren tochten dairan, anno 1438.

Albert van Esschede ontfangt den hoff tot Esschede in der Graeffschap van Zutphen in den kerspel van Gorsel in der buurschap van Eesschede gelegen tot eene sadelgoets leenrechten, ende belast tselve voort met 8 molder roggen sjaers aen Johan Potou, kamerknecht, te lossen met 66 enckel golden Rijnsche gulden in 6 jaren, bij verlies des leens, beheitlick doch Johan Potou ende synen erven heure voors. losrente daeruut, anno 1511.
Johan Ketell bij transport Alberts voorn. beleent tot sadelleens rechten onder belofte van die voors. 8 molder roggen sjaers binnen 3 jaren af te lossen, 26 Martii 1527.
Hille van Kervenhem, weduwe Johan Ketels, huysfrou Johan des Wilden, des transporteert al haer recht ende ansprake tot desen goede op:
Anna van Eesschede, huysfrou Johans van Voerst, 6 Julii 1530.
Eadem als erve hares ooms Aiherts voorn. beleent 16 Novembris 1531.
Eadem laet eedt vernijen haer soon Johan van Voorst, 3 Junii 1556.
Johan van Voorst bij transport sijner moder Anna 12 Juhi 1564 en 2 Aprilis 1566. Hier staet in margine bij geteickent: Sij togesien. dat dit leen voortan nit anders dan tot sadelleensrechten ontfangen worde, ten ware octroy ofte kennis van saken.
Margriet van Voorst, weduwe Arnts van Lintelo, erhelt 3 maenden uutstel te verheffen sodane leengoederen als haer van haren broder Johan sijn aen­gestorven 9 Junii 1583.
Diederick van Lintelo, Margrieten soon, erve sijnes ooms Johans, erft op sijnen soon Arnt van Lintelo, onmundig wiens voormunder Joachim van Eck dit leen verheft 18 Julii 1600.
Anna Margreta van Lintelo, erve haeres broders Arnts, beleent 13 Septembris 1631. Haer man Maximiliaen van Pasqualini doet hulde.
Reyner van Voorst, als naeste manspersoon te wesen van den eersten acquirant des voors. leens ende mede van desselven lesten possesseur beleent 24 Septembris 1631. (Zie blz. S. 40.)
Evert van Lintelo, als olste opte strate ende naeste mansgeboort van Arnt van Lintelo, beleent 26 Octobris 1631.

Eschede vinden wij het eerst als Ascete in 1046; in 1212 heet het Eschete en in 1296 Ascede. In 1378 was Alijt van Escheen de bezitster hiervan, waarbij het werd uitgegeven als dienstmansleen. In 1863 werd het huis volledig afgebroken. Enkele stallen e.d. werden verbouwd tot een boerderij, thans nog genaamd “Eschede”, op circa 50 m noord er van. Het huis lag zuid van het dorp Gorssel vrijwel aan de lJssel.